Meer weten?

Onze specialist Dennis Fokkinga komt graag meedenken over uw vraagstukken. Neem hiervoor vrijblijvend contact op met onze specialist.

+31646257100
d.fokkinga@d-bv.nl
Wilt u door Dennis Fokkinga teruggebeld worden?

Door oud-stagiair Davine Janssen, begeleid in haar masterscriptie door Driven by Values

Klik hier om het gehele (gepubliceerde) onderzoek te lezen.

Tijdens mijn afstudeerstage bij Driven by Values (DbV) ben ik op zoek gegaan naar innovaties die de Nederlandse energietransitie kunnen versnellen, en keek ik daarvoor vooral óver onze landsgrenzen heen. Het onderzoek heeft uiteindelijk geresulteerd in een lange lijst van innovaties die bij kunnen dragen aan de Nederlandse energietransitie. Drie daarvan heb ik verder uitgewerkt en voorzien van aanbevelingen voor hun implementatie in Nederland, aan de hand van inzichten uit het buitenland. Ook heb ik in bredere zin geanalyseerd wat de “transitiepaden” (de ontwikkeling richting een duurzamere samenleving) van succesvolle landen onderscheidt van die van de achterblijvers. In dit artikel vat ik die inzichten samen, in termen die iedereen begrijpen kan.

Een kwestie van kopiëren en plakken?

Alle Europese lidstaten hebben te maken met politieke, economische en sociale druk om de samenleving te verduurzamen. Zowel het akkoord van Parijs, de Europese klimaat- en energiedoelen voor 2020, 2030 en 2050 als tig van nationale ambities, plannen en afspraken zijn gericht op uitstootvermindering, meer hernieuwbare energie en efficiënter gebruik van energie.

Desondanks lopen de maatregelen in de verschillende lidstaten sterk uiteen. Hetzelfde geldt voor het tempo waarin vooruitgang wordt geboekt. Dat roept vragen op. Waarom doen de lidstaten bijvoorbeeld niet allemaal hetzelfde? Of waarom kopieert Nederland niet gewoon de strategie van de landen die voorop lopen? Het eenvoudige antwoord is: “dat ligt gecompliceerder”. Ik pleit in dit artikel echter voor het complexere antwoord: “dat is eenvoudiger dan het lijkt”.

Eenvoudiger dan het lijkt

Inderdaad, er zijn allerlei aspecten die van belang zijn voor de transitiepaden van verschillende landen en dat maakt de kwestie complex. Zo spelen de natuurlijke beschikbaarheid van natuurlijke bronnen, het lokale klimaat en de belangrijkste economische activiteiten een cruciale rol in de mogelijkheden per land. Zonder bergen of voldoende regenval is waterkracht bijvoorbeeld geen optie en in een economie die sterk afhankelijk is van de industrie zullen efficiëntieverbeteringen vooral zoden aan de dijk zetten als ze betrekking hebben op die sector. In zekere zin is deze complexiteit vergelijkbaar met kinderen die opgroeien tot volwassen mensen. In het DNA zijn al zoveel verschillen tussen individuen bepaald, dat er niet één duidelijk advies gegeven kan worden over de juiste weg naar zelfstandigheid. Toch is men het er in het algemeen over eens dat kinderen met meer kennis uit de schoolbanken stromen dan hoe ze er op de eerste dag verschenen en dat een dagelijkse portie groente en fruit geen slecht idee is. Op eenzelfde manier zijn er voor de transitiepaden van landen wel degelijk nuttige algemene conclusies te trekken, ondanks dat de onderlinge verschillen in eerste instantie gigantisch lijken.

Bij de “transitie” van een kind naar een volwassen mens vinden we het logisch dat algemene wijsheden aangepast worden aan de kenmerken van het kind: wie intelligent is kan zijn of haar tijd best besteden aan studeren, wie sportief is aan trainen, wie muzikaal is aan oefenen en wie handig is aan doen. Talenten ontwikkelen is de algemene wijsheid, de precieze invulling daarvan is afhankelijk van de context. Waarom zien we dat bij energietransities dan niet op dezelfde manier?

Het probleem is waarschijnlijk dat de relatief technische aard van de uitdagingen doet lijken alsof het technische problemen zijn. Van dat soort problemen is men gewend dat er een duidelijk en eenduidig antwoord op is. Echter, technische transities zijn voor een groot deel sociaaleconomische vraagstukken. Dat betekent dat er wel degelijk lering getrokken kan worden uit de ervaringen van andere landen, maar er een kleine vertaalslag nodig is om daadwerkelijk nuttige conclusies te trekken voor een specifieke context. Als de context – het metaforische DNA – meegenomen wordt, kunnen innovaties vanuit het buitenland zeker toegepast worden in Nederland, hetzij met enige aanpassingen. Zo zou een innovatief verdienmodel voor het delen van auto’s misschien niet direct een knallend succes zijn in Nederland, maar “fiets-delen” misschien wel. Eenvoudiger dan het lijkt dus.

Wat onderscheidt succesvolle landen van de rest?

In een gedeelte van mijn afstudeerscriptie vergeleek ik de transitiepaden van België, Denemarken, Duitsland, Letland en Zweden en trok ik drie algemene conclusies over wat de meer succesvolle landen onderscheidt van de landen die achter liggen.

Ten eerste blijken politieke afspraken voor de lange termijn effectief. Ongeacht de precieze afspraken blijkt dat de landen die duidelijk lange termijn doelen gesteld hebben, koplopers zijn. Beslissingen zoals het volledig uitbannen van kernenergie of het opzetten van belastingschema’s die regeringstermijnen overschrijden geven richting en investeringszekerheid aan de industrie en burger. Vooral in Denemarken is dit duidelijk te zien. Daar zorgden de vroegtijdige beslissing om geen kernenergie meer te gebruiken en grootschalige steun voor windprojecten door burgers voor zekerheid. Ook in Zweden en Duitsland is er al langere tijd politieke toewijding aan klimaat- en energiedoelen. Het tegenovergestelde fenomeen – langzaam en twijfelachtig koers bepalen – vormt een belangrijke belemmering voor energietransities. Dit is bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar in België, waar de verdeling van meningen en verantwoordelijkheden tussen de regio’s tot veel oponthoud heeft geleid voor beslissingen omtrent kern- en hernieuwbare energie.

Ten tweede blijkt dat “het braafste jongetje van de klas” stiekem gewoon het “slimste jongetje van de klas” is. Wie voorop loopt en de leiding neemt, lijkt daar meer voor- dan nadeel uit te halen. Een voorbeeld hiervan is te zien in Zweden, dat zich al vroeg expliciet profileerde als “pionier” in verduurzaming en in verschillende beleidsstukken de ambitie uitte koploper te willen zijn. De “groene industrie” werd daarmee een kans voor het creëren van banen en technische expertise die geëxporteerd kan worden naar het buitenland. Bovendien bracht Zweden, maar ook Duitsland en Denemarken, zich daarmee in een positie waarin het “dominant design” (het meest gangbare ontwerp van een technologie of ondersteunende systemen) van verschillende “groene” technologieën ontwikkeld is met het oog op de nationale behoeften. Een land dat later vergelijkbare technologieën wil implementeren, had deze misschien anders ontworpen als deze vanaf de start aan zijn/haar eigen lokale context zouden zijn aangepast. Belangrijk is wel dat landen over het algemeen vooral goede “pioniers” zijn in sectoren die van nature nationale expertise gebieden zijn. Zo is er in Duitsland veel aandacht voor energie-efficiëntie en techniek. Zweden is goed in warmtenetten en Denemarken blinkt vooral uit in windenergieprojecten en burgerparticipatie.

Ten derde blijkt dat geopolitieke en economische drijfveren op zijn minst zo belangrijk zijn als zorgen over klimaatverandering of duurzaamheid. Zo waren in Letland de stijgende importprijzen en zorgen over afhankelijkheid van buitenlandse olie veruit de belangrijkste sturende krachten richting grootschalig biomassa gebruik en verhoogde efficiëntie in de industrie. Ook in de landen die zich bewust profileerden als pioniers, zoals Denemarken, Duitsland en Zweden waren importprijzen en importafhankelijkheid belangrijke redenen om die aanpak te kiezen. De historisch goedkope beschikbaarheid van gas als alternatief voor geïmporteerde olie heeft er voor gezorgd dat deze sturende krachten grotendeels afwezig waren in Nederland. Toch is er ook hoop te putten uit deze derde observatie. Immers, als idealisme en overtuigingen niet strikt noodzakelijk zijn voor het duwen van een transitie, kunnen ook uitdagingen en drijfveren die op het eerste gezicht niet gerelateerd zijn aan duurzaamheid dat effect bereiken. En, aan uitdagingen lijkt er in Nederland geen gebrek. Om ervoor te zorgen dat deze uitdagingen ons richting een groenere samenleving duwen, moeten ze echter wel op de juiste manier worden opgepakt.

Om tot concretere aanbevelingen te komen, is het dus belangrijk om in te zoomen op de specifieke kenmerken en context van Nederland en als het ware in het Nederlandse “energie-DNA” te kruipen. Welke stukjes zijn van nature groen of juist erg grijs? Waar liggen belangrijke uitdagingen? En hoe spelen we daar adequaat op in?

De Nederlandse context: ons duurzaamheids-DNA

Nederland heeft, na Malta, de hoogste bevolkingsdichtheid van Europa. Nederland heeft ook het laagste percentage hernieuwbare energie van Europa (7,4% in 2018). Aangezien opwek uit hernieuwbare bronnen aanzienlijk grotere oppervlakte vereist dan opwek uit fossiele energiebronnen vormt gebrek aan ruimte, ten minste in de sociale en politieke beleving, een belangrijke uitdaging voor Nederland.

In mijn onderzoek dook ik dieper in dit stuk van het Nederlandse energie-DNA dat er momenteel nog erg grijs uitziet (“land-schaarste”). Vervolgens zocht ik naar innovaties vanuit Nederland en het buitenland die hierop kunnen inspelen. Bovendien keek ik of er niet toch ook in dit stuk al enkele (licht-)groene stukjes aanwezig zijn die juist kansen vormen voor de toekomst.

Ondanks dat gebrek aan ruimte typisch is voor ons dichtbevolkte landje, kan er inspiratie voor innovatieve oplossingen gehaald worden uit het buitenland waar land-schaarste niet direct een uitdaging vormt. Als de uitdaging breder geanalyseerd wordt, blijkt namelijk dat ook innovaties die niet direct ruimte besparen, maar bijvoorbeeld wel winst in efficiëntie opleveren, de potentie hebben land schaarste aan te pakken. Met die insteek zijn er genoeg mogelijke oplossingen te vinden.

Drie veelbelovende innovaties voor land-schaarste

Uit de lange lijst van innovaties die ik samenstelde voor deze uitdaging, heb ik er drie geselecteerd die bijzonder veelbelovend zijn: warmtenetten, energy service companies (ESCO’s) en de piekbelasting van het elektriciteitsnet te verlagen (“peak shaving”) door slim watermanagement (op andere tijden malen, beluchten etc. door waterschappen).

Warmtenetten zijn met name veelbelovend vanwege de omvang van hun mogelijke impact. Ze hebben de potentie om een van de grootste energie-vragende sectoren van ons land, verwarming, drastisch efficiënter te maken en tegelijkertijd de hoeveelheid hernieuwbare energie daarin te verhogen. Hoewel de techniek op zichzelf niet innovatief is, zij bestaat immers al geruime tijd, zijn er wel innovatieve manieren van implementatie die we uit het buitenland kunnen halen. Zo is er in Stockholm bijvoorbeeld een methode voor prijsbepaling in gebruik, die transparantie en participatie bevordert: de zogenaamde “Prisdialogen” (letterlijk “De prijsdialoog”). In Denemarken worden warmtenetten (in combinatie met warmtekrachtkoppeling) gebruikt voor het stabiliseren van het elektriciteitsnet, door te variëren in de hoeveelheid duurzame elektriciteit en warmte die geproduceerd wordt, afhankelijk van wat het net nodig heeft. Op die manier wordt er breder voordeel getrokken uit de techniek.

Behalve technische innovaties, zijn ook “verdienmodel innovaties” zoals die van energy service companies (ESCO’s) interessant. In Duitsland is er voor dit soort bedrijven al een rijpe markt, maar in Nederland nog veel minder. Vooral de (kleine) hoeveelheid sturing van boven- of buitenaf die ze vereisen, maakt ESCO’s een interessante innovatie voor regionale actoren. ESCO’s maken over het algemeen winst door in de gebouwen van particulieren of bedrijven aanpassingen te doen die energiebesparingen opleveren. De daaraan gekoppelde economische besparingen worden dan later door de klant gebruikt om de investering (en een winstmarge) terug te betalen aan de ESCO. Op deze manier worden obstakels zoals investeringskosten en risico’s weggenomen bij de klant terwijl de besparingen groot genoeg zijn om niet alleen de klant maar ook de ESCO geld op te leveren. ESCO’s kunnen zich bovendien specialiseren in het doen van bepaalde aanpassingen en op die manier gericht expertise opbouwen.

De derde geselecteerde innovatie komt uit Nederland zelf: de piekbelastingen in het elektriciteitsnet verlagen door handig gebruik te maken van onze bestaande watermanagement systemen. “Peak shaving” heeft momenteel nog niet de hoogste prioriteit in de Nederlandse energietransitie, onder andere vanwege het lage percentage hernieuwbare energie opwek in Nederland. Echter, in de toekomst zal “peak shaving” steeds belangrijker worden, ook in het buitenland. Met andere woorden, Nederland zou juist nu innovatieve methoden kunnen ontwikkelen die de hoogte en timing van energievraag voorspelbaar en beïnvloedbaar maken. Dan kunnen we later de vruchten plukken als marktleider. Als er bovendien meteen rekening wordt gehouden met uitdagingen zoals gebrek aan ruimte, loopt Nederland echt voorop. Dit zou kunnen door te spelen met de timing van onontkoombare energievragen van bijvoorbeeld waterschappen, maar ook van andere overheden of industriële grootverbruikers. Die infrastructuur bestaat immers al en vereist dus geen extra ruimte.

Ruimte maken voor grensoverschrijdende innovatie

Samenvattend is gebrek aan ruimte een belangrijke uitdaging die typisch is voor Nederland, maar waarvoor toch genoeg inspiratie uit het buitenland gehaald kan worden. Zo hebben bijvoorbeeld warmtenetten, ESCO’s en het verlagen van de piekbelasting door slim watermanagement potentie. Bovendien kan uit de transitiepaden van andere landen geconcludeerd worden dat er geen diepgewortelde groene overtuigingen nodig zijn om transities te bewerkstelligen, maar dat andere geopolitieke en economische drijfveren net zo (of zelfs meer) bepalend zijn. Dat impliceert dat óók de uitdagingen waar Nederland mee te maken heeft, zoals gebrek aan ruimte, duwend kunnen werken in de energietransitie, mits ze op die manier aangegrepen worden. Door innovaties uit het buitenland slim aan te passen aan de Nederlandse context en nieuwe ideeën te exporteren, kunnen we koplopers worden in de energietransitie. Dan vormt gebrek aan ruimte alleen nog een belemmering in onze visie documenten.

Davine Janssen
Voor wie geïnteresseerd is in de diepgaandere analyses en toelichtingen van de in dit artikel genoemde onderwerpen: mijn scriptie heeft geleid tot een publicatie in het academisch blad Sustainability, die hier te lezen is: https://doi.org/10.3390/su122410491 of hier.

Meer weten?

Onze specialist Dennis Fokkinga komt graag meedenken over uw vraagstukken. Neem hiervoor vrijblijvend contact op met onze specialist.

+31646257100
d.fokkinga@d-bv.nl
Wilt u door Dennis Fokkinga teruggebeld worden?

Een greep uit onze projecten

Alle projecten tonen